Sint Jans Onthoofdingkerk Liempde
A | A | A

nieuws

Waar sta ik eigenlijk in dit verhaal?

31-03-2019

“Jongen, alles wat van mij is, is ook van jou. Alles, maar ook die andere zoon van mij. Hij is jouw broer”

Toen ik enige jaren geleden een overweging gaf over de parabel van de verloren zoon, die we zojuist hoorden, was één van de gedachten die ik naar voren bracht, dat ieder van ons zich wel zou kunnen herkennen in die verloren zoon. Want wie voelt zich niet soms verloren? Velen uit het gezelschap konden die gedachte beamen, maar anderen weer wat minder. Die voelden zich eigenlijk niet zo verwant met die jongste zoon. Gelukkig is er nog een tweede zoon in het verhaal, de oudste, waarin ze zich vermoedelijk beter konden herkennen. En middenin tussen die twee zonen - het kunnen natuurlijk net zo goed twee dochters zijn - staat de Vader, God. Want daar gaan de parabels van Jezus steeds over: over ons, mensen, in onze relatie tot God, tot elkaar en tot onszelf. 

Wanneer we het Evangelie horen of lezen is het dan ook de moeite waard om je af te vragen: waar sta ik eigenlijk in dit verhaal? Je zou je bijvoorbeeld kunnen herkennen in die jongste zoon. Dat is meer iemand van het avontuurlijke type, iemand die er op uit wil trekken, iemand die zich in het leven stort, die risico’s neemt, die niet houdt van gebaande wegen, maar die nieuwe dingen probeert, die uitbundig en verkwistend leeft, die er probeert uit te halen wat erin zit, met hoge pieken en diepe dalen. 
Maar zoals gezegd, herkennen anderen zich meer in die oudste zoon. Dat is iemand van het meer behoudende type. Iemand die op safe speelt en geen risico’s neemt. Hij past zich aan, aan de regels en de verwachtingen van de omgeving. Zijn leven is meer eentonig en plichtmatig, op het saaie af. Elke dag is zo’n beetje hetzelfde: opstaan, eten, werken, slapen.

Heeft de Vader een voorkeur voor één van beiden? Wel, het lijkt er misschien op dat-ie een lichte voorkeur heeft voor de jongste zoon - want die krijgt in het verhaal de meeste aandacht -, maar in principe houdt-ie van beiden. Hij staat inderdaad op de uitkijk naar de jongste zoon, wanneer die ver van huis is en zich ellendig voelt, en loop snel naar hem toe en omhelst hem hartelijk. Maar - en dat vergeten we wel eens - eigenlijk doet de Vader hetzelfde ten opzichte van de oudste zoon, wanneer dié buitenshuis is en zich buitengesloten voelt. De Vader gaat dan ook naar hem op zoek en bekommert zich óók om die oudste zoon. Want de Vader heeft zijn beide zonen lief.

Kennelijk lopen beide zoons, elk op eigen manier, vast in hun egoïsme en zelfgenoegzaamheid. De jongste zoon is egoïstisch, op een verkwistende manier, maar de oudste zoon is het ook, zij het op een zuinige manier. Dat de jongste zoon aanvankelijk niet zo veel om zijn Vader en zijn broer geeft is wel duidelijk. Zonder een greintje dankbaarheid of spijt laat hij zowel zijn Vader als zijn broer vallen. Hij wil voortaan doen waar hij zelf zin in heeft. In zijn feestroes merkt hij niet, dat hij aan het potverteren is. Hij néémt het er wel van, maar hij zelf bouwt niets duurzaams op. En op een gegeven moment is wat hij meegekregen heeft op. Hij heeft nu niets meer om te verbergen dat hij in feite zelf niets heeft opgebouwd, maar slechts heeft geprofiteerd van wat zijn vader hem gegeven heeft.

Het egoïsme van de oudste zoon is minder opvallend en dat is juist zijn grote gevaar. Omdat zijn egoïsme wat zuiniger is kan hij zichzelf nog wat langer in de waan houden dat het met hèm wel snor zit. Dat hij als oudste een voorbeeldige zoon zou zijn van zijn Vader. Hij is inderdaad geen opvallend grote zondaar:“Ik doe mijn plichten, nooit heb ik uw geboden overtreden”, zegt hij tegen zijn Vader. De jongste zoon kan dat zeker niet zeggen. Die is er zich terdege van bewust dat hij eigenlijk niet meer waard is om zoon van zijn Vader te heten. Hij heeft zich immers helemaal niets van zijn Vader aangetrokken. Vanuit zijn eenzaamheid en ellende beseft hij dat hij iets kostbaars verspeeld heeft, dat hij iets mist en dat hij zijn Vader tekort heeft gedaan: hij begint alsnog naar zijn Vader te verlangen, zij het nog maar aarzelend: “Ik ga weer naar mijn Vader”.

De oudste zoon blijkt daarentegen minder voorbeeldig te zijn, dan hijzelf meent. Hij heeft namelijk niet echt lief. Hij is berekenend. Hij ziet zijn vader, dit wil zeggen God, veeleer als uitbetalende werkgever, dan als liefhebbende vader van twee zonen. Wanneer hij zich bij zijn vader beklaagt, dan is het nooit met de aanspreektitel “vader”; bovendien geeft de oudste niets om zijn jongere broer en spreekt minachtend over hem als “die zoon van u”, die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen. Daarmee distantieert hij zich niet alleen van zijn broer, maar ook van zijn Vader, met “die zoon van hem”. Maar zijn klacht, dat hijzelf nooit een bokje heeft gekregen om met zijn vrienden feest te vieren, doet vermoeden dat hij ergens jaloers is op de uitbundige leefstijl van zijn jongere broer. Want ook de oudste leeft zijn eigen zelfzuchtige leventje. Hij vraagt zich niet af wat er in het hart van zijn Vader omgaat; hij vraagt zich niet af hoe het met zijn broer gaat. Dat laat hem verder koud en onverschillig; als hijzelf zijn loon (en straks zijn erfenis) maar krijgt uitbetaald en zijn eigen gang kan gaan. Hij heeft nooit in de gaten gehad dat zijn Vader “alles” met hem wilde delen: “Jongen, alles wat van mij is, is ook van jou. Alles, maar ook die andere zoon van mij. Hij is jouw broer”
Maar daar wil de oudste zoon niet aan. Zo liefhebbend als zijn Vader wil hij niet worden. Daar doet hij niet aan mee. Hij wil kennelijk niet alles delen met zijn vader. Uiteindelijk wil ook hij dus op een egoïstische manier zijn eigen gang kunnen gaan net als ooit zijn jongere broer deed. Maar dat durft hij niet aan zichzelf te bekennen. Hij acht zichzelf beter dan zijn jongere broer; hij ziet niet in dat ook hij zijn levenshouding zou moeten veranderen.

Zo komen we tenslotte ook bij onszelf. Lijken u en ik misschien soms ook niet een beetje op één van beide zonen of wellicht een beetje op allebei. Maar misschien beginnen we ook al wat meer te lijken op onze hemelse Vader, zoals Jezus dat deed. Jezus was het beeld van de Vader in levende lijve. “Wie Mij ziet, ziet de Vader”, zei Hij. Kunnen wij dat ook al enigszins van onszelf zeggen? Want ook wij zijn geroepen om, dank zij Jezus Christus, kinderen van God te zijn. Is onze levenshouding echt al die van een kind van God? Hoeveel geven wij om God en om elkaar, hoe oprecht is onze liefde? Hoe dat ook zij: het Evangelie toont ons dat er voor ieder van ons een weg is naar het hart van God, voor de oudste of de jongste zoon of dochter, voor het avontuurlijke type, voor het zuinige type. Allen worden wij uitgenodigd om dankzij de bemiddeling van Jezus Christus, binnen te gaan in Gods vaderliefde en te leren beleven wat het is om kind van God te zijn, om broers en zussen van elkaar te zijn. Met vallen en opstaan, ongetwijfeld. Maar Hij reikt ons de hand. Laten we die telkens weer aannemen.


Lijken u en ik misschien soms ook niet een beetje op één van beide zonen of wellicht een beetje op allebei.