Sint Jans Onthoofdingkerk Liempde
A | A | A

nieuws

Gevoel van verweesdheid

10-02-2019

'Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd, zonder iets te vangen.'

Lieve mensen, broeders en zusters, soms komen we hier met dankbare gevoelens voor de vele goede en mooie dingen in ons leven. Maar soms komen we hier voor gevoelens van gemis of teleurstelling, omdat bepaalde dingen in ons leven niet zo goed lopen. Want vaak, ondanks onze inzet, kan het rendement van al je werkzaamheden en contacten, je op een gegeven moment toch teleurstellen. Het lijkt allemaal zo vluchtig te zijn. De wereld lijkt soms, ondanks je inspanningen, ook zonder jou wel verder te gaan. En dat kan je soms een gevoel van verweesdheid geven. 

Waar is er een veilige, zinvolle plaats voor ons te vinden? Met name rond het midden van het leven, kunnen gevoelens van ontmoediging je overvallen, de zogenaamde 'midlife-crisis', maar ook eerder of later kan dat gebeuren. Je weet dan niet goed hoe je verder moet. Je zit een beetje op een dood spoor. Je hebt het vermoeden dat er méér moet zijn, en dat je nog niet helemaal hebt verwezenlijkt wat jouw taak en bedoeling is in het leven. Maar je ziet niet direct waar en hoe dat dan zou moeten. Een gevoel van “te weinig en “tekort” kan dan aan ons knagen. We kunnen ons op zo’n moment herkennen in de verzuchting van Simon Petrus: "Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd, zonder iets te vangen."

Juist echter op dat moment, dat het besef van “te weinig” en “tekort” hem en zijn medevissers overviel en Simon Petrus werd geconfronteerd met de beperktheid van zijn resultaten, juist op dat moment kwam Jezus op zijn pad, die bezig was het Goede Nieuws van Gods liefdevolle aanwezigheid en werkzaamheid te verkondigen. Jezus verkondigde dat er méér was dan ons menselijk tekort, namelijk de nabijheid van Gods overvloedige liefde en genadige ontferming. En de interesse van Petrus en zijn metgezellen werd er door gewekt. Zou deze man uit Nazareth iets te bieden, dat tegemoet zou kunnen komen aan de onvoldaanheid die Petrus in zijn leven ervoer? En Jezus ziet de interesse van Simon Petrus, en vraagt hem of Hij vanuit Petrus’ boot zijn onderricht mag voortzetten. Petrus stemt toe. Hij is benieuwd naar wat deze Jezus nog verder te zeggen en te bieden heeft.

En dan gaat Jezus zijn woorden onderstrepen en illustreren door een daad. Hij wil Petrus en zijn medevissers laten zien dat Hij een goddelijke werkelijkheid komt brengen, die groter is dan hun eigen beperkte resultaten. "Vaar nu naar het diepe, en gooi uw netten uit voor de vangst", zo klinkt de opdracht van de Meester. Petrus brengt daar tegenin: "Meester, de hele nacht hebben we al gezwoegd zonder iets te vangen", dus eigenlijk heeft het geen zin om het net nog een keer uit te gooien. Maar Petrus is nog steeds gefascineerd door die wonderlijke man uit Nazareth, en zegt dan: “Vooruit maar, omdat U het zegt. Op Uw woord zal ik de netten uitgooien."

En dan gebeurt, wat Jezus in zijn prediking al had aangekondigd. Hij komt ons beperkte wereldje plaatsen in een ruimer perspectief. Hij brengt ons een nieuwe horizon, namelijk die van Gods goede plan met deze wereld, het Rijk van God, dat zich met Jezus’ komst begint te verwezenlijken. Dat Rijk van Gods aanwezigheid en werkzaamheid was al aangekondigd door de profeten, zoals Jesaja in de eerste lezing. Jesaja kreeg er een voorproefje van tijdens de eredienst in de tempel: “Heilig, heilig, heilig is de aanwezigheid van de Heer, heel de aarde is vol van zijn glorie.” En Simon Petrus maakt het nu mee op het meer van Gennesareth: volkomen onverwacht stromen zijn netten vol. Allemaal ervaringen van genade: een overvloed aan goedheid en levenskracht, die van elders komt, uit de oneindige bron van God zelf.

Overweldigd door zo’n genademoment van Gods nabijheid, beseffen zowel Jesaja als Simon Petrus: dit is “te veel” voor mijn “te weinig”, dit is te groots voor mijn kleinheid, dit is te puur voor mijn geschondenheid. Je besterft het bijna als je in de nabijheid komt van de levende God. “Wee mij, ik ben verloren, zegt Jesaja, want ik ben een mens met onreine lippen, en toch heb ik de Heer gezien." ("Wee mij, zei ook Paulus in de 2e lezing, ik ben een misgeboorte, niet waard om apostel te heten, want ik heb Gods Kerk vervolgd, en toch is Hij aan mij verschenen.") "Wee mij, zegt Simon Petrus, want ik ben een zondig mens en toch zit de Heer zelf naast mij in de boot en vult Hij mijn netten. Heer, ga van mij weg."

In Gods heilige nabijheid voelt een mens zijn onwaardigheid en tekort; in het pure licht van de Heer ziet men zijn duisternis; in de volheid van God voelt men zijn beperktheid en leegte. Maar juist dan, wanneer je tegenover de grootsheid van de Heer bijna zou denken: er blijft niks meer van me over, juist dán krijg je een nieuwe identiteit en zending. Je mag voortaan aan anderen gaan meedelen uit de overvloed die je zelf mocht ontvangen. Zo wordt tot Jesaja gezegd: “Nu deze kool van het altaar uw lippen heeft aangeraakt, zijn uw zonden verdwenen: je bent klaar om gezonden te worden tot het volk.” Zo wordt tot Paulus gezegd: “Laat je in het doopsel vernieuwen; je zult van nu af een uitverkoren werktuig van de Heer zijn, een apostel voor de heidenen.” En zo wordt tot Petrus gezegd: "Wees niet bevreesd, ook al ben je een zondig mens. Je ontvangt een nieuwe levenstaak; voortaan zul je geen vissen meer vangen maar mensen."

Ook wij, broeders en zusters, mogen zo dadelijk Christus ontmoeten in de Eucharistie en de Communie. Ook al zijn we dit uit onszelf niet waardig, Hij maakt ons waardig door zijn genade en neemt ook ons in zijn dienst om medewerkers te zijn van zijn Rijk.